slide1

BERGA juridische diensten



Het 1e Persoonlijk consult is altijd gratis!.....

slide 4

BERGA juridische diensten



Overal in Nederland kunt u bij ons terecht…..
slide2

BERGA juridische diensten



Juridische hulp is voor u zowel persoonlijk, telefonisch als online toegankelijk…..
slide6

BERGA juridische diensten



Wij staan voor betaalbaar, laagdrempelig en betrokken…..
slide 4

BERGA juridische diensten



Brede juridische praktijk in advisering, bijstandsverlening en gerechtelijk procederen op civiel-, bestuurs- en strafrechtelijke terreinen.....
slide2

BERGA juridische diensten



Tot 21.00 uur ’s avonds persoonlijk juridisch advies bij u thuis…..
slide 4

BERGA juridische diensten



Persoonlijk en online laten checken, aanpassen en opstellen van uw brief/contract/voorwaarden…..
slide2

BERGA juridische diensten



Snel verkrijgen van persoonlijk, online en telefonisch juridisch advies…..
slide1

BERGA juridische diensten



Voor juridisch maatwerk…..
slide 4

BERGA juridische diensten



Juridisch deskundig en betaalbare dienstverlening…..
slide 4

BERGA juridische diensten



Juridisch op het scherpst van de snede.....

Stelling: ‘Het Nederlands softdrugbeleid is failliet en dient zo snel mogelijk te worden afgeschaft.’

 

Onze reactie

 

Wij onderstrepen de stelling en zijn van mening dat de teelt, handel en verkoop van softdrugs – anders dan voor puur

strikte medicinale doeleinden – verboden dient te worden.

 

De nieuwe burgemeester van Maastricht, Annemarie Penn-te Strake, heeft een meer genuanceerde opvatting.

Zij is voorstander van het o.a. vrij kunnen inkopen door alleen Nederlanders.

Anderszijds wil zij een resctrictief en repressief beleid neerzetting op de randverschijnselen ervan.

Zij legt daarbij o.a. de bal bij de politiek.

 

Dat lijkt ons geen goed plan

 

Je creeert daarmee een lex-specialis van het huidige gedoogbeleid; een gedoogbeleid in bijzondere gevallen.

Enerzijds introduceer je daarmee een soort VIP-softdrugsklant die van harte welkom is, zolang hij maar Nederlanders is en

moedig je je in standhouding van huidig gedoogbeleid aan. Daarmee houd je de ‘voordeur’ open voor softdruginstroom en

dus voor softdrugsellende t.a.v. stimulering gebruik, inkoop, handel en verkoop.

Anderszijds moet er nog steeds opgetreden worden door OM en politie aan de ‘achterkant’ van de softdrugbar.

Immers, eenmaal ‘doorgelaten’ (illegaal) transport (in herinnering brengend: illegale opsporingspraktijken jaren 90 /

commissie van Traa…), dient het daarna weer te worden ‘afgestraft’.

 

Dit is juridisch, noch sociaal maatschappelijk te verdedigen
Bovendien blijkt uit vele onderzoeken dat softdrugs een misleidende term is, alsof het minder schadelijk is dan hardrugs.

Dit is geenszins het geval. Het is per definitie schadelijk voor de gezondheid en zou dus in onze ogen verboden moeten worden.

Waar gewerkt werd met schadelijke stoffen (verven militair materieel) zoals in de jaren 80 en 90 gebeurde in diverse hangars bij Defensie, dan zijn we daar nu samen met de slachtoffers verbolgen over. Maar als het over softdrugs gaat, hanteren we evenals

de naam ‘soft’ doet vermoeden, een beleid zonder ruggengraat.

 

Voor de volledigheid willen we u het interview met mevr. Penn-te Strake niet onthouden.

Zij is door Nieuwsuur geïnterviewd d.d. 19 oktober 2015. Hieronder volgt daarvan een samenvatting.

 

 

 

gedoogbeleid

 

 

Lees het interview met de nieuwe burgemeester van Maastricht

 

 

Socal clubs

 

Annemarie Penn-te Strake volgde per 1 juli Onno Hoes op als burgemeester van Maastricht.

De afgelopen maanden heeft ze zich verdiept in het wietdossier van de stad en nu presenteert ze haar visie op het drugsbeleid.

Zo vindt ze dat Nederland afscheid moet nemen van de coffeeshops “oude stijl”.

“We moeten nieuwe vormen vinden. Ik denk bijvoorbeeld aan ‘cannabis social clubs’. Dat zijn clubjes volwassen mensen

die goede cannabis telen, in kleine hoeveelheden voor recreatief gebruik.” Ze ziet de clubs als kleine “eenheidjes”

die gebruikers van wiet voorzien en veilig en stil opereren. “Daar omheen moet alles heel hard worden aangepakt.”

 

EU-voorzitterschap

Het idee van Penn is door de huidige regelgeving onuitvoerbaar. “Een ‘cannabis social club’ is volgens zowel het

internationale als het nationale recht niet toegestaan”, zei minister Ard van der Steur van Justitie eerder dit jaar nog in de

Tweede Kamer. Daarom wil Penn dat de minister het Nederlandse voorzitterschap van de EU volgend jaar aangrijpt om tot een gezamenlijke Europese aanpak van het probleem te komen.

In veel landen wordt gepraat over een nieuwe aanpak van softdrugs. Penn wil dat internationale verdragen over

drugsbestrijding ter discussie worden gesteld. “Wat is de kracht van het verdrag als meer en meer landen zich er aan onttrekken?

Ik zou heel graag willen dat onze regering en onze minister van Veiligheid en Justitie dat durven te zeggen.”

“Een jongere kan nu relatief veilig naar een coffeeshop om een jointje te roken. En dat is een groot goed”

Annemarie Penn-te Strake, burgemeester Maastricht

 

Alleen Nederlanders mogen kopen

 

Sinds 1 mei 2012 is in Maastricht het ingezetenencriterium van kracht, dat voorschrijft dat alleen

Nederlanders softdrugs mogen kopen in coffeeshops. Penn wil het criterium blijven handhaven. “Maar alleen zolang we

niks anders hebben. Het is voor een burgemeester niet fijn om te zeggen dat buitenlanders niet op bepaalde plekken

in de stad mogen komen.”

Volgens de burgemeester past zo’n houding niet bij Maastricht. “We willen de deuren naar Europa juist openzetten.

Maar voor nu moeten we het zo houden. We hebben gezien hoe het was toen we het niet handhaafden.

We zien wel echt verbetering.”

ANP

 

Drugsrunners

 

Penn woont al 24 jaar in Maastricht. Ze heeft de drugsproblematiek in de stad van dichtbij zien ontstaan.

“Ik ben mijn opleiding begonnen in 1980 en toen was die problematiek er al. Ik herinner me de zaken met drugsrunners

uit Rotterdam. Die lopen hier nog steeds rond.”

Ook toen al was er sprake van overlast in de stad en problemen met hennepteelt.

“Er is weinig ontwikkeling en dat is heel zorgelijk”, zegt Penn.

 

Wiethandel opnieuw floreren

 

De burgemeester pleit er niet voor om het drugsgebruik helemaal vrij te geven. “Het gebruik van cannabis is

niet gewoon een grappig dingetje, maar een serieus probleem. Dat moet je niet zomaar vrijgeven.

Er zitten risico’s aan. Reguleren draagt het meest bij aan de volksgezondheid.”

Ook denkt ze dat het vrijgeven ervoor kan zorgen dat de onderwereld opnieuw met de wiethandel aan de haal gaat.

“In die zin heeft het gedoogbeleid in het begin gewerkt. Nu kan een jongere relatief veilig naar een coffeeshop om een

jointje te roken. En dat is een groot goed.”

 

Bron: Nieuwsuur

 

 

Vragen, juridisch advies nodig?

 

www.bergajuridisch.nl / info@bergajuridisch.nl

Nieuwe ontwikkelingen: ZZP-ers en (schijn)zelfstandigheid

 

De status van ZZP’ers (zelfstandigen zonder personeel) houdt al enige tijd de juridische en politieke gemoederen bezig.

In de kern gaat de discussie steeds over de vraag wanneer een ZZP’er nou daadwerkelijk moet worden gezien als een zelfstandig ondernemer en wanneer de ZZP’er eigenlijk een als ondernemer vermomde werknemer is.

In dit artikel: ‘ZZP-ers en (schijn)zelfstandigheid’ gaan de deze begrippen nader duiden en zoeken aansluiting bij de rechtspraak.

 

 

Scheidslijn schijn- en echte zelfstandigheid zzp’er is arbitrair

 

De scheidslijn tussen beide varianten is dun en lang niet altijd duidelijk te trekken, maar de gevolgen van de kwalificatie groot.

Is een ZZP’er werknemer, dan valt hij onder het arbeidsrecht en heeft hij bijvoorbeeld recht op doorbetaling bij ziekte,

vakantiedagen en bescherming tegen ontslag. Fiscaal gezien is het onderscheid ook van belang – kwalificeert de ZZP’er in belastingtechnische zin niet als ondernemer, dan moet loonbelasting worden ingehouden en afgedragen.

De nieuwste toevoeging aan de discussie komt – onverwacht – uit de hoek van het mededingingsrecht.

 

Juridische kwalificatie ZZP-ers

 

Het Hof Den Haag heeft recentelijk uitspraak gedaan in een mededingingsrechtelijke zaak die draaide om de juridische

kwalificatie van ZZP’ers, namelijk om zelfstandige remplaçanten van orkestleden. Deze remplaçanten zijn invallers voor

musici die als werknemer verbonden zijn aan orkesten en worden ingeschakeld door middel van een overeenkomst van opdracht.

 

Aanleiding voor het geschil over de vraag of zelfstandige remplaçanten al dan niet zelfstandig ondernemer zijn was de

toenmalige collectieve arbeidsovereenkomst (cao) voor remplaçanten van orkestleden. In die cao waren minimumtarieven

voor zelfstandige remplaçanten opgenomen. Dat is bijzonder, omdat cao’s normaal gesproken collectieve voorwaarden voor

de arbeid door werknemers bevatten en ZZP’ers juist buiten cao’s vallen. De Nederlandse mededingingsautoriteit (destijds NMa,

nu ACM) kreeg lucht van de afspraak in de remplaçanten-cao en stelde zich op het standpunt dat de in de cao gemaakte

collectieve minimumtariefafspraak een verboden prijsafspraak tussen ondernemingen was en dat daarmee het kartelverbod

werd geschonden. FNV KIEM, een van de cao-partijen, spande hierop een procedure aan tegen de Nederlandse Staat. FNV KIEM vorderde daarin dat de rechter zou verklaren dat van een verboden prijsafspraak geen sprake was.

 

Hof van Justitie: begrip schijnzelfstandigen

 

Omdat de uitleg van het mededingingsrecht voor een belangrijk deel voortvloeit uit het Europees recht, stelde het Hof

Den Haag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de prejudiciële vraag hoe de afgesproken minimumtarieven moesten

worden gekwalificeerd in de zin van de mededingingsregels en – in het verlengde daarvan – of de cao-afspraak in strijd met

het mededingingsrecht was. Daarbij stond de vraag centraal of de zelfstandige remplaçanten daadwerkelijk als ‘zelfstandigen’

konden worden gezien (en dus als ‘ondernemers’ in de zin van het mededingingsrecht). Als het antwoord op die vraag

bevestigend zou luiden, dan zou de werknemersvereniging in de cao eveneens kwalificeren als ondernemersvereniging en

de cao zelf als afspraak tussen ondernemersverenigingen. Bijgevolg zou de tariefafspraak dan inderdaad een verboden

prijsafspraak zijn.

 

Het Hof van Justitie van de Europese Unie antwoordde dat minimumtarieven voor zelfstandige remplaçanten die hetzelfde werk verrichten als werknemers in loondienst niet onder het kartelverbod vallen als die remplaçanten ‘schijnzelfstandigen’ zijn. Schijnzelfstandigen zijn volgens het Hof van Justitie ‘dienstverleners wier situatie vergelijkbaar is met die van werknemers’.

Het kenmerkende verschil tussen schijnzelfstandigen en ‘echte’ ondernemers is dat laatstgenoemden niet in een ondergeschiktheidsrelatie staan tot de opdrachtgever en over meer zelfstandigheid en flexibiliteit beschikken.

Het Hof van Justitie laat het aan de nationale rechter om te bepalen of de remplaçanten als ondernemers of als

schijnzelfstandigen moeten worden gezien.

 

Hof Den Haag: remplaçanten zijn schijnzelfstandigen

 

Aan de hand van het door het Hof van Justitie geformuleerde definitie van schijnzelfstandigheid beoordeelt het Hof

Den Haag de positie van de zelfstandige remplaçanten. Zelfstandige remplaçanten zijn volgens het Haagse Hof musici die

invallen bij een of meerdere orkesten en die dan hetzelfde werk verrichten als musici die bij het betrokken orkest als werknemer

in dienst zijn. Net als de vaste musici-werknemers van het orkest, moeten de zelfstandige remplaçanten volgens een vast rooster aanwezig zijn bij de repetities en concerten en moeten zij de aanwijzingen van de dirigent opvolgen.

De zelfstandige remplaçanten bevinden zich daardoor voor wat betreft de ondergeschiktheidsrelatie tot het orkest in

hetzelfde schuitje als de musici die zij vervangen. Het Hof Den Haag baseert daarom haar conclusie dat de zelfstandige

remplaçanten geen ondernemers, maar ‘schijnzelfstandigen’ zijn en dat de minimumtariefafspraak uit de cao daarmee

geen verboden prijsafspraak is.

 

Debat status zzp-ers ten opzichte van werknemers

 

Deze Haagse uitspraak heeft enkel betrekking op de unieke situatie van orkestremplaçanten en dan ook nog uitsluitend

vanuit de optiek van het mededingingsrecht. Toch is de uitspraak ook in een breder kader interessant, omdat het Hof Den Haag

hier de ‘schijnzelfstandige’ (zij het in een mededingingsrechtelijke context) als nieuwe variant erkent, waar voorheen alleen

sprake kon zijn van een werknemer of een ondernemer. Of deze uitspraak uiteindelijk ook zijn weerklank zal vinden in het

arbeidsrecht is nog maar de vraag. Wat ons betreft is deze uitspraak echter exemplarisch voor de discussie die in de breedte

wordt gevoerd over de status van ZZP’ers. We noemen een paar andere voorbeelden:

 

. In de media is veel te doen geweest over de keuze van sommige bedrijven, waaronder PostNL, over het inhuren van ZZP’ers als alternatief voor werknemers, met als voorbeeld dat ZZP’ers goedkoper zijn en bijvoorbeeld geen recht hebben op vakantiedagen, betaling tijdens ziekte en ontslagbescherming.

 

. Na de uitspraak van het Hof Den Haag maakte FNV bekend dat zij zal inzetten op minimumtarieven voor ZZP’ers in cao’s in toekomstige onderhandelingen. Vanuit de ZZP-ers is hierop afwijzend gereageerd, omdat veel ZZP-ers juist zelf hun prijs willen bepalen.

 

. Op fiscaal terrein verandert de situatie van ZZP’ers. De regelgeving omtrent de fiscale verantwoordelijkheid voor de beoordeling

van de zelfstandigheid van een ZZP’er verandert. Waar op dit moment de ZZP-er nog aan de hand van een makkelijk aan te vragen Verklaring Arbeidsrelatie kan ‘aantonen’ dat hij zelfstandige is en dat geen loonheffingen hoeven te worden afgedragen,

zal dat straks – waarschijnlijk vanaf 1 april 2016 – alleen nog het geval zijn als gewerkt wordt met een door de Belastingdienst goedgekeurde overeenkomst.

 

. Verzekeraars, banken en belangenbehartigers zoeken naar oplossingen om ZZP’ers toegang te geven tot pensioenverzekeringen

en hypotheken. Deze producten leken tot voor kort voorbehouden aan werknemers, maar beetje bij beetje opent de financiële

markt zich voor ZZP’ers.

 

 

Toekomstvraag: hoe relatie opdrachtgever-zzp-er duiden?

 

Wij verwachten dat de discussie over de status van ZZP’ers nog lang niet is beslecht.

De belangrijkste vraag vanuit arbeidsrechtelijk perspectief blijft daarbij hoe de relatie tussen een opdrachtgever

en een ZZP’er juridisch daadwerkelijk gekwalificeerd moet worden en of er daarbij ruimte is voor de schijnzelfstandige

als nieuwe variant tussen de werknemer en de ondernemer. Wordt vervolgd!

 

 

Bronnen: rechtspraak.nl en recht.nl

 

 

Juridisch advies nodig?

 

Laat het ons weten via de site: www.bergajuridisch.nl of mail ons voor vragen: info@bergajuridisch.nl

 

Voorkeursbeleid VGZ c.s. in strijd met Zorgverzekeringswet

 

 

Lees het arrest

Lees een aanverwant arrest

 

Bronnen: Rechtspraak.nl

 

 

Toelichting op arrest Hoge Raad

 

Het voorkeursbeleid dat zorgverzekeraars VGZ c.s. met betrekking tot dieetpreparaten willen voeren, is in strijd met de Zorgverzekeringswet. Deze beslissing van het hof Arnhem-Leeuwarden is vandaag door de Hoge Raad in stand gelaten.
In verband met hun natura verzekeringspolissen sluiten zorgverzekeraars ieder jaar overeenkomsten met afleveraars van dieetpreparaten, waaronder apotheken. Deze overeenkomsten bepalen onder meer welke vergoeding afleveraars ontvangen
voor de verstrekking van de aflevering van dieetpreparaten aan verzekerden.
Beleid VGZ: voorwaarde van een ‘expliciete medische motivering’
VGZ c.s. hebben in 2013 besloten om met betrekking tot dieetpreparaten een voorkeursbeleid te voeren.
Doel van dat beleid is kosten te besparen. VGZ c.s. hebben een beperkt aantal voorkeursproducten geselecteerd die
alle afkomstig zijn van één fabrikant. Onderdeel van het beleid is dat VGZ c.s. de afleveraars nog maar in beperkte
mate de producten vergoeden die van andere fabrikanten afkomstig zijn, dat aflevering van die producten alleen is
toegestaan als daarvoor een expliciete medische motivering is gegeven en dat het percentage van die producten dat zij mogen afleveren, aan een maximum is gebonden.
Nutricia en belangengroepen in kort geding: verbod beleid VGZ
Nutricia heeft in kort geding een verbod op dit beleid gevraagd omdat dit de afzet van haar dieetproducten vermindert.
Een tweetal patiëntenverenigingen en de Nederlandse Vereniging van Diëtisten hebben dit verzoek ondersteund.
De verenigingen hebben aangevoerd dat het voorkeursbeleid van VGZ c.s. ertoe leidt dat patiënten niet de zorg
krijgen waarop de Zorgverzekeringswet hen recht geeft.
Hof: productkeuze is aan patiënt; niet aan VGZ  
Om deze laatste reden heeft het hof het voorkeursbeleid verboden. Het hof heeft vastgesteld dat de keuze van dieetpreparaten individueel en subjectief is bepaald, omdat de bereidheid tot gebruik en dieettrouw van de patiënt in hoge mate wordt bepaald
door de exacte samenstelling ervan, de voorkeuren van de patiënt en de mate waarin de patiënt het preparaat verdraagt.
Patiënten moeten daarom de mogelijkheid hebben ook andere producten te gebruiken dan de door VGZ c.s. geselecteerde voorkeursproducten. Die mogelijkheid wordt door het beleid van VGZ c.s. te zeer beperkt. Daarom is dat beleid in strijd
met de wet, die verzekerden recht geeft op adequate zorg, aldus het hof.
Hoge Raad: voorrang productkeuze van patiënt boven voorkeursproducten VGZ bij geen gelijkwaardig product
De Hoge Raad heeft de klachten van VGZ c.s. tegen dit oordeel verworpen.
Zorgverzekeraars dienen weliswaar bij hun beleid rekening te houden met de kosten van de zorg, maar dat mag er
niet toe leiden dat niet de zorg wordt verstrekt waarop de wet aanspraak geeft. Verzekeraars kunnen dan ook in beginsel
slechts de doorslag aan de kosten geven als er een product is dat voldoende gelijkwaardig is. Het hof heeft kunnen oordelen
dat van die gelijkwaardigheid in dit geval geen sprake is, dat patiënten daarom ook de mogelijkheid moeten hebben om
andere producten te gebruiken dan de voorkeursproducten van VGZ c.s., en dat die mogelijkheid door het beleid van VGZ c.s.
te zeer wordt beperkt.
Saillant detail
VGZ hanteert een beleid – althans voortkomend uit haar mission statement – juist met name gericht op…: .
..het centraal stellen van de vrije keuze van de patiënt….
Kennelijk alleen als het kostenefficiënt is

Verplichting meewerken bloedonderzoek? – reden voor ontslag op staande voet?

 

Verplichting meewerken bloedonderzoek? – Een werknemer kan op staande voet worden ontslagen als hij hardnekkig weigert te voldoen aan ‘redelijke bevelen of opdrachten, hem door of namens de werkgever verstrekt’.
Valt hier ook onder het niet-meewerken aan een bloedonderzoek?
De Hoge Raad heeft hier op 30 oktober 2015 een uitspraak over gedaan.
Lees het arrest van de Hoge Raad
Bron: weigering bloedtest en recht.nl
Toelichting op arrest

 

 

Loodkeuring

 

De werknemer was bij G4S in dienst als brandwacht. Daarvoor moest hij een ‘brandweerkeuring’ ondergaan.

Deel daarvan was een bloedonderzoek betreffende loodblootstelling, een zogenaamde loodkeuring.

Werknemer had op principiële gronden deze bloedtest geweigerd, waarna hij op non-actief is gesteld.

Daarop heeft hij zich ziek laten melden. De werkgever beschouwde de weigering om de loodkeuring

te ondergaan als werkweigering en ontsloeg hem op staande voet.

 

Ontslag op staande voet & gewichtige medische reden

 

De werknemer vorderde bij de rechtbank een verklaring dat het ontslag ongeldig was en doorbetaling van zijn salaris.

De kantontrechter oordeelde het ontslag terecht was gegeven omdat een professionele, geschoolde brandwacht

moet meewerken aan maatregelen om zijn gezondheid te beschermen en te inventariseren of er risico’s op beroepsziekten

bestaan. De enig denkbare uitzondering zou een gewichtige medische reden kunnen zijn, aldus de rechtbank.

 

Redelijke opdracht

 

Werknemer was het daar niet mee eens en ging in hoger beroep bij het hof ’s-Hertogenbosch.

Het hof was het met de rechtbank eens dat er sprake was van een gegeven bevel of opdracht die redelijk was,

afgezet tegen het belang van de werkgever had en de bezwaren van de werknemer. G4S was door haar opdrachtgever

verplicht om de bloedtest op te leggen en de werknemer moest daar naar redelijkheid aan meewerken, omdat ook hij

daar zelf belang bij had.

 

Persoonlijke levenssfeer

 

De werknemer ging in cassatie bij de Hoge Raad. Daar kreeg de werknemer op 30 oktober 2015 ongelijk.

Volgens het advies van het OM had de werknemer geen steekhoudend argument naar voren gebracht.

Hij was fysiek in staat om de redelijke opdracht op te volgen. Het beroep van werknemer op het grondrecht

van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de onaantastbaarheid van het menselijk lichaam was

onvoldoende, omdat deze inbreuk (de bloedproef) een legitiem doel dient en een geschikt middel is om dat doel te bereiken.

Ook de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer was evenredig in verhouding tot het belang van de werkgever, temeer omdat

dat doel niet op minder ingrijpende wijze kon worden bereikt, zoals met een urinetest. Het verzoek was daardoor ook

proportioneel en het gegeven ontslag op staande voet terecht.

 

 

Vragen of juridisch advies nodig?

 

Laat het ons weten:

www.bergajuridisch.nl

info@bergajuridisch.nl

Opstellen van juridische contracten

 

 

Hoe stel je een juridisch contract op?

 

Het opstellen van juridische contracten is een juridische aangelegenheid.

Juridische zaken, zoals contracten en leveringsvoorwaarden, zijn niet de eerste dingen waar je

aan denkt bij het starten van een bedrijf. Maar dit is wel noodzakelijk. Het gaat overigens lang niet altijd om de

meest ingewikkelde overeenkomsten, maar de afspraken tussen beide partijen en eventuele zakelijke risico’s

moeten wel goed worden vastgelegd. Waarop je hierbij nog meer moet letten, lees je hier: hoe stel je een juridisch contract op?

 

 

Contracten opstellen: waarom belangrijk?

 

Mondelinge afspraken zijn bindend in het Nederlands recht. Je hoeft in principe dus niets op papier te zetten als je tot een overeenkomst bent gekomen en dit telefonisch aan elkaar hebt bevestigd. Het wordt alleen lastig dit te bewijzen als de

andere partij zijn afspraken vervolgens niet nakomt.

 

In het doemscenario staan jij en jouw voormalige klant (of opdrachtgever, leverancier etc.) op den duur tegenover elkaar

voor de rechter, waarbij het overduidelijk is dat de andere partij liegt, maar jij alsnog met lege handen achterblijft.

Alleen al om deze reden is het verstandig om eventuele gemaakte afspraken met potentiële zakelijke relaties altijd op

papier vast te leggen.Én …in tweevoud op te maken plus te ondertekenen, want zonder handtekening is een

contract nog steeds niet rechtsgeldig. Let ook op vermelding van de datum.

 

Welke contracten heb je nodig?

 

Als startende ondernemer heb je in eerste instantie meestal nog geen ordners vol contracten in de kast staan.

Personeel (en de daarbij horende arbeidscontracten) zijn bij veel starters bijvoorbeeld nog niet aan de orde.

Maar hoe groter jouw bedrijf wordt – wellicht koop je over een paar jaar wel een bedrijfspand

– des te meer contracten je uiteindelijk nodig zult hebben.

 

Toch is het noodzakelijk om je hier nu al een beetje in te verdiepen, al is het alleen maar om kleinschalige

contracten te maken, zodat je een eventuele overeenkomst met een klant schriftelijk kunt vastleggen.

Hieronder lichten we de vier meest voorkomende contracten verder uit. Algemene voorwaarden zijn hiermee

onlosmakelijk verbonden. Alle ins en out over algemene voorwaarden leest u in

het artikel ‘Juridisch voorbereid als startende ondernemer’ (1e in de reeks van drieluik over waar de (startend)

ondernemer op moet letten als het om juridisch (verplichte) zaken gaat). Lees tevens het artikel over hoe u uw

wanbetalers onder controle kunt houden in: ‘Weet hoe jij je kunt wapenen tegen wanbetalers?’

 

 

4 gebruikelijke contracten in ondernemersland

 

 

1. Het samenwerkingscontract

 

Als je met een zakenpartner gaat samenwerken, moet je als starter een betrouwbare samenwerkingsovereenkomst opstellen.

Zo’n rechtsvorm is bijvoorbeeld een maatschap, vennootschap of coöperatie. Leg hierin de onderling gemaakte afspraken

goed vast. Daarbij moet je onder meer denken aan de winstverdeling, minimale inbreng van kapitaal en hoe de samenwerking

kan worden beëindigd. Doe je dit niet, kun je in het ergste geval door een wanprestatie van de partner zelf ook financieel

het schip ingaan. Denk aan je algemene voorwaarden. Deze dien je als integraal onderdeel in je contract van toepassing

te laten verklaren.

 

 

2. Een in- en verkoopcontract

 

Als je producten of diensten in- en verkoopt, sluit je met de leverancier of afnemer van deze diensten en/of producten

een contract af. Hierin leg je de afspraken over de specifieke leveringen of afnamen vast.

Denk hierbij aan de prijs per geleverde dienst of afgenomen stuk, de bezorging en de leveringsvoorwaarden.

 

Vergeet ook niet dat, als je in- en verkoopt, jij altijd aan de verplichtingen naar je leveranciers moet voldoen.

Als klanten wat de betaling betreft in gebreke blijven, is dat jouw ondernemersrisico. Daar heeft de leverancier

dus geen boodschap aan. Het is dan ook verstandig om jouw betalingstermijn net iets korter te maken dan die

van jouw leverancier(s). Als er geen calamiteiten plaatsvinden, zou je op deze manier altijd over voldoende

cashflow moeten kunnen beschikken.

 

 

 

3. Een freelanceovereenkomst

 

De overeenkomst tussen freelancers of ZZP’ers en hun opdrachtgevers is het contract dat je als startende ondernemer

in veel sectoren het vaakst zal gebruiken. Dit contract kun je in principe opstellen zoals je zelf wilt, want er is geen vast

stramien voor. Voor het opstellen van een contract voor ZZP’ers gelden wél enkele voorwaarden. (Als je het hebt over het

gebruik maken van een opdrachtnemer en er is geen sprake van een fysieke levering van diensten, dan spreek je in juridische

zin van een overeenkomst van opdracht.)

 

Zo moet je hierin opnemen welke partijen de overeenkomst aangaan (bijvoorbeeld: een fotograaf en een krant), de reden

waarom de overeenkomst wordt aangegaan (de fotograaf is goed in het maken van portretten en de krant wil hem

gebruiken voor een serie interviews) en tot slot de gemaakte afspraken omtrent de opdracht.

Deze details moet je zo duidelijk mogelijk omschrijven in het document (de fotograaf levert

één foto per week, gedurende achttien weken, de prijs per foto bedraagt honderd euro exclusief btw etc.).

Doordat je alles zo specifiek vastlegt, is er achteraf geen ruimte voor misverstanden.

Daarnaast stuur je bij een contract jouw algemene voorwaarden mee die integraal onderdeel vormen van jouw contract.

Wees alert dat je dit als zodanig in het contract omschrijft en eraan refereert.

 

 

 

4. De algemene voorwaarden

 

Algemene voorwaarden zijn de regels die jij als ondernemer wilt laten gelden op alle contracten die worden afgesloten.

Ze vormen uiteraard niet een contract op zichzelf, maar zijn minstens (zo niet belangrijker nog) zo belangrijk als het

eigenlijke contract.

In deze 3-luik zijn we uitgebreid ingegaan op het hoe en waarom van algemene voorwaarden.

Het document, dat bedoeld is voor de klant of opdrachtgever, bevat de zogenoemde ‘kleine lettertjes’.

Oftewel: jouw voorwaarden over bijvoorbeeld de levering, betaling, aansprakelijkheid, eventuele reparaties en de garantietermijn.

Deze voorwaarden maken duidelijk welke rechten en plichten zowel de leverancier (jij) als de afnemer (de klant) heeft.

Het voorkomt een hoop gedoe achteraf en verkleint jouw ondernemersrisico.

 

Aangezien startende ondernemers vaak standaardvoorwaarden gebruiken, doe je er verstandig aan om hier eerst een

jurist naar te laten kijken en deze te laten checken en op te maken. Minstens zo belangrijk is dat je de

algemene voorwaarden van de andere partij goed bestudeert. Lees altijd goed door wat de eventuele gevolgen en

risico’s voor jouw bedrijf zijn. Je zou niet de eerste starter zijn die zich vergist in de kleine lettertjes en de juridische

consequenties hiervan moet dragen.

 

 

Kun je het contract zelf opstellen?

 

Kleine contracten, zoals in- en verkoopcontracten, kun je in principe zelf samenstellen. Onthoud echter dat je,

tenzij je rechten hebt gestudeerd, een amateur bent op juridisch gebied. Het contract kan er nog zo gelikt uitzien,

maar dat wil niet zeggen dat het document dan ook helemaal juridisch dichtgetimmerd zit.

Dat kan alleen een professional beoordelen.

 

Er zijn online veel kant-en-klare contracten te vinden, waar altijd wel een stukje op jouw bedrijf van toepassing kan zijn.

Als je zelf een contract bij elkaar besluit te knippen en plakken, is het zeker raadzaam om het contract te laten checken

door een jurist. Het gebeurt nog wel eens dat precies de verkeerde delen aan elkaar worden geplakt, of dat juist bij één

deel de context ontbreekt. Stel nou dat er een conflict komt over het niet goed opgestelde contract, dan zul je de

juridische – en waarschijnlijk ook financiële – consequenties zelf moeten dragen.

 

 

Een offerte opstellen

 

Een veelbelovend acquisitiegesprek met een potentiële klant is een eerste stap naar een contract, maar voordat het tot een samenwerking komt, is het gebruikelijk eerst een offerte op te stellen. Dit is – net als een contract – een formeel aanbod,

alleen zonder de daarbij horende verplichtingen. Doorgaans verzamelt een klant meerdere offertes, waaruit hij een keuze maakt.

 

In zo’n prijsopgave staat een specifieke beschrijving van de werkzaamheden die je voor de klant gaat doen (of van de producten of diensten die je gaat leveren). Ook vermeld je hier altijd welke voorwaarden (uurtarief, planning etc.) hieraan verbonden zijn.

Tot slot stuur je de algemene voorwaarden van jouw bedrijf mee. Een offerte biedt de klant nog enige onderhandelingsruimte,

waar je al dan niet mee akkoord kunt gaan. Als de klant de offerte accepteert, kun je overgaan op het daadwerkelijk afsluiten

van een contract.

 

 

Persoonlijk juridisch advies nodig?

 

Contracten of algemene voorwaarden laten opmaken?

Last van wanbetalers?

 

BERGA juridische diensten verstrekt juridisch advies en persoonlijke diensten op maat.

Daarnaast kunt u via de webshop telefonisch en online juridisch advies bestellen.

Zij richt zich op particulieren en ondernemers op de volgende rechtsgebieden:

 

-privaatrecht (civielrecht) o.a.: huur, incasso, arbeid, algemene voorwaarden,

contracten;

-strafrecht;

-bestuursrecht (o.a.: bezwaar, (hoger) beroep)

-sociaal zekerheidsrecht (o.a.: WW, ZW, Participatiewet)

 

Het starten van een eigen bedrijf kan de nodige vragen oproepen.

Als ondernemer heb je met veel zaken te maken.

BERGA geeft u juridische ondersteuning in de opstartfase en de fases daarna.

 

U kunt onze dienstverlening vinden op: www.bergajuridisch.nl

U kunt via het contractformulier een persoonlijke afspraak maken.

 

Heeft u nog andere vragen? info@bergajuridisch.nl

Juridisch beslagen ten ijs als ondernemer

 

Als startende ondernemer zijn er veel onderwerpen die je aandacht opeisen: vormgeving (en bijstellen) van je ondernemersplan, voldoen aan opleidings- en kwalificatievereisten, een bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering (BAV), kiezen van een bedrijfsnaam, lanceren van een website, uurtarief…etc. Allemaal vitale onderdelen van je onderneming.

Voor het (goed kunnen) doen van zaken met je wederpartij, zorgen voor de continuïteit van je bedrijf en bescherming

daarvan is het daarom uiterst belangrijk dat je deze met juridische waarborgen omkleed.

 

Algemene voorwaarden, wanbetalers en contracten

 

Denk alleen al aan het opstellen van algemene voorwaarden en inkoop- of samenwerkingscontracten.

Op deze pagina’s vertellen we welke juridische kwesties gangbaar zijn en hoe jij je als startende ondernemer hiertegen kunt beschermen. Er zijn vele juridische kwesties waar je mee te maken krijgt, als starter en in de fase daarna.

Omwille van de eenvoud kunnen we hier niet alle mogelijke juridische hete hangijzers bespreken.

Vandaar dat we er een paar uitlichten waar je als starter (of je wilt of niet) mee te maken zult krijgen.

Dit in de vorm van een 3-luik:

 

1. Stel goede algemene voorwaarden op / week 1 / startende ondernemer

2​. Weet hoe jij je kunt wapenen tegen wanbetalers /week 2 / wanbetalers

3. Opstellen van juridische contracten / week 3 /

 

 

 

Wanbetalers: 7 tips om ermee af te rekenen

Ondernemers en ZZP’ers regelen de betaling vaak door het sturen van facturen.

Maar wat als het bedrag op de afgesproken datum nog niet is overgemaakt?

De tips in dit artikel kunnen langdurig gesteggel en een gang naar de rechter voorkomen.

 

 

1. Inventariseer het klantenrisico

 

Het is raadzaam om bij het aannemen van opdrachten ter controle eerst het klantenrisico te inventariseren.

Je kunt dit bijvoorbeeld doen door je als ondernemer aan te sluiten bij het Bureau Krediet Registratie (BKR) in Tiel,

waar voornamelijk wordt gekeken naar betalingsachterstanden bij leningen, abonnementen en andere langlopende betalingen. Daarnaast zijn er meerdere particuliere initiatieven in het leven geroepen, veelal gekoppeld aan incassobureaus.

Indien je voor zaken in overleg bent met een nieuw incassobureau kan het geen kwaad eens te informeren of zij

ook beschikken over een zogenaamde ‘zwarte lijst’. Handig is ook om altijd eerst even te checken of je wederpartij

wel in het Handelsregister van de KvK staat ingeschreven.

 

2. Vermeld je betalingstermijn op de factuur

 

Een factuur moet aan een aantal belangrijke voorwaarden voldoen. Het toevoegen van een factuurdatum en de

betalingstermijn is er daar één van. Wanneer je duidelijk vermeldt op welke dag de factuur is opgesteld en wanneer

de betaling uiterlijk dient te geschieden, kan daarover geen onduidelijkheid over bestaan.

De gemiddelde betalingstermijn ligt tussen de veertien en dertig dagen, tenzij een afwijkende termijn is opgenomen in

de algemene voorwaarden of als je andere afspraken met de opdrachtgever hebt gemaakt. Lees hier aan welke andere

voorwaarden jouw facturen nog meer moeten voldoen.

 

3. Stuur een eerste herinnering

 

Indien je na deze termijn nog steeds geen betaling hebt mogen ontvangen, kun je de klant of opdrachtgever een

eerste herinnering sturen. Het is slechts een ‘friendly reminder’; de toon van het bericht is zakelijk, maar vriendelijk

en niet al te dwingend. Je weet namelijk nog niet waarom er een betalingsachterstand is opgetreden.

 

Wellicht was de betreffende collega van de financiële administratie met vakantie of kwam de factuur per ongeluk

ergens onderop een stapel terecht. Noem in de betalingsherinnering dan ook geen nieuwe betalingstermijn.

Vaak weet de geadresseerde al wel dat hij in gebreke is gebleven en dat hij nu zo spoedig mogelijk alsnog moet betalen.

 

4. Neem telefonisch contact op

 

Als je een week na het versturen van de eerste herinnering geen reactie hebt gekregen (en het bedrag ook niet is

bijgeschreven op jouw zakelijke rekening), is het tijd voor de volgende stap. Je gaat de klant er nogmaals aan herinneren

dat er nog een rekening uitstaat. Het beste is dan in principe om eerst even te bellen.

Een dergelijke persoonlijke benadering staat vriendelijker dan een vervolgbrief en dat vergroot de kans op een snelle betaling.

Vaak kom je dan al te weten wat de reden is van uitblijven van betaling van je factuur.

 

5. Stuur een tweede herinnering

 

Kun je de klant met geen mogelijkheid telefonisch te pakken krijgen of wordt de mondelinge belofte om de

betaling alsnog zo snel mogelijk te voldoen niet nagekomen? Dan mag je een tweede betalingsherinnering sturen.

Hoe begrijpelijk ook: weersta de verleiding om je frustratie te uiten op papier en blijf in de brief zakelijk en beleefd,

maar wees wel heel duidelijk naar de ontvanger toe: als de situatie nu niet snel wordt opgelost, ben je genoodzaakt

tot het nemen van verdere juridische stappen.

 

6. Schakel een juridisch adviesbureau of incassokantoor in

 

Nog steeds geen reactie? Dan kun je niet anders dan een juridisch adviesbureau of incassobureau inschakelen.

Zij stellen jouw wederpartij in gebreke.

Dit is een eerste vereiste juridische actie om tot verdere juridische dwangmiddelen te kunnen overgaan.

Uiteindelijk dient je wederpartij in verzuim te zijn in de nakoming van jullie afspraken, zodat jij

wettelijke maatregelen kunt laten nemen door jouw juridisch adviseur of incassokantoor.

Bij voorbeeld door een incassodagvaarding te laten betekenen bij jouw wederpartij.

 

7. Stap naar de rechter zonder advocaat

 

De laatste stap is de gang naar de rechtbank. Zorg voor een zakelijke rechtsbijstandsverzekering of huur een juridisch adviseur in.

Een rechtsbijstandsverzekering sluit je voor minimaal 1 jaar af.

Je kunt ervoor kiezen incidenteel een adviseur in te huren.

Dit is een kwestie van wat je voorkeur heeft in persoonlijk opzicht en welk bedrag je daarvoor over hebt.

Een advocaat is vaak niet nodig omdat jezelf (in persoon) vorderingsbedragen tot € 25.000 voor de kantonrechter

(=onderdeel van de rechtbank) kunt brengen.

Daarom kan een jurist en juridisch adviseur dit voor je doen en je daarbij bijstaan.

Die helpt je met het sturen van een dagvaarding, waarmee je de klant voor de rechter daagt.

 

Een dagvaarding vermeldt gedetailleerd wat iemand eist, de onderbouwing van de eis, de bewijzen waarover men

beschikt en waarom de gedaagde partij wordt aangesproken. Gelukkig komt het in de meeste gevallen niet zover en

wordt de betaling, al dan niet met enige vertraging, alsnog voldaan.

Dit, omdat overleg tussen je vriend, vriendin of juridisch adviseur en je wederpartij vaak ook vruchten afwerpt in deze

fase en zo alsnog tot overeenstemming wordt gekomen.

 

 

 

Volgende week:

 

Hoe stel ik een juridisch contract op?

 

Juridisch advies nodig?

 

Als startende ondernemer is het aan te raden gebruik te maken van een incassobureau of juridisch advieskantoor. Gebrek aan juridische kennis ingeval van wanbetaling is vaak een valkuil. Op momenten dat er niet of niet tijdig wordt betaald door je wederpartij dien je juridisch gezien de juiste acties in de juiste volgorde te initiëren. Laat je dit na of ben je daarin niet duidelijk genoeg, dan vis je (vaak) naast het net.

BERGA juridische diensten kan u helpen inzake wanbetaling: www.bergajuridisch.nl  naast juridisch advies verstrekt

zij persoonlijke diensten op maat, telefonische en online diensten op het gebied van:

 

-privaatrecht (civiel recht, o.a. algemene voorwaarden, incasso, huur, arbeid en

contractenrecht);

-strafrecht

-bestuursrecht

-sociaal zekerheidsrecht

 

Vragen?

Mail ons: info@bergajuridisch.nl

Koper kan niet 100% vertrouwen op asbestrapport; eigen initiatief is vereist

 

Er is asbest aangetroffen na koop van een bedrijfspand.

De asbest is niet gevonden door het door de verkoper (vóór de verkoop) ingeschakelde asbest-inventarisatiebureau.

Het bureau is evenwel niet tekortgeschoten bij de inventarisatie jegens de verkoper en heeft dus niet onrechtmatig

gehandeld jegens de koper. Ook het beroep op non-conformiteit jegens verkoper is afgewezen.

De koper kan niet in de gerechtvaardigde verwachting verkeren dat met asbestrapport volledige zekerheid is

verkregen dat het pand vrij is van direct waarneembaar asbest.

 

Lees het arrest: Gerechtshof Amsterdam, uitspraak d.d. 22-09-2015

 

 

Onze toelichting

 

Asbestinventarisatiebureaus worden, veelal in het kader van voorgenomen verkoop, sloop of renovatie van een object,

ingeschakeld om dat object te onderzoeken op asbestbronnen. Alleen bureaus die over het juiste certificaat beschikken, mogen dergelijke inventarisaties uitvoeren. Het betreffende certificatieschema, de SC-540, is een bijlage bij art. 4.27 van de Arbeidsomstandighedenregeling. Desalniettemin wordt dat schema ook gebruikt als leidraad voor de beoordeling van de aansprakelijkheid van asbestinventarisatiebureaus. Dat is met name aan de orde als er tijdens de renovatie of sloop van een

object asbest wordt aangetroffen dat niet door het inventarisatiebureau is gerapporteerd.

Dat leidt tot extra saneringskosten en mogelijke contaminatieschade, waarvoor de opdrachtgever of een rechtstreeks

betrokken derde het bureau aanspreekt.

Zo ook in het geval dat ten grondslag lag aan dit arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 22 september 2015:

 

Casus

In 2010 voert een asbestinventarisatiebureau in opdracht van de verkoper van een grotendeels betonnen
bedrijfspand uit de jaren 60 een zogenoemd Type A-onderzoek uit als bedoeld in de SC-540.
Dit type onderzoek  is gericht op asbestbronnen die direct waarneembaar zijn dan wel na licht destructief onderzoek
waarneembaar zijn.

 

Twee jaar later treft een aannemer die het betreffende pand in opdracht van de nieuwe eigenaar stripte,
een asbestbron aan die door het bureau was gemist en dus niet was opgenomen in het asbestinventarisatierapport dat bij de verkoopinformatie over het bedrijfspand was gevoegd. Het betrof in totaal 30 meter aan asbesthoudende stortstroken

die verspreid over vier verdiepingen van elk 2.800 meter door de aannemer boven systeemplafondplaten zijn aangetroffen.

 

De koper wenst de schade van bijna twee ton, bestaande uit extra saneringskosten en contaminatieschade vanwege

asbestdeeltjes die zich al door de ruimtes hadden verspreid, op het asbestinventarisatiebureau (en overigens ook op

de verkoper, hetgeen ik verder laat rusten) te verhalen.

 

Maatstaf: redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot

Het uitvoeren van een asbestinventarisatie valt onder de overeenkomst van opdracht (art. 7:400 e.v. BW).

Bij de vraag of het asbestinventarisatiebureau is tekortgeschoten in zijn verplichtingen uit die overeenkomst

komt het dan aan op de vraag of het bureau heeft gehandeld zoals een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot in de gegeven omstandigheden zou hebben gedaan.

Oftewel: op een asbestinventarisatiebureau rust geen resultaatsverbintenis; het bureau heeft een inspanningsverplichting.

Het enkele feit dat het bureau bij de inventarisatie een bepaalde asbestbron mist, kan dus niet reeds tot aansprakelijkheid leiden.

 

Rechtbank Amsterdam 26 februari 2014

De koper vangt bot bij de Rechtbank Amsterdam. Het asbestinventarisatiebureau had onderbouwd gesteld dat het

voorafgaand aan de visuele inspectie historisch onderzoek had verricht (zoals vereist in de SC-540).

Uit de door het bureau bestudeerde bouwtekeningen kwamen geen aanwijzingen naar voren dat er asbesthoudende

bouwmaterialen in het pand waren verwerkt. Vervolgens heeft het bureau gedurende twee dagen een visuele inspectie

uitgevoerd van het pand, waarbij het bureau steekproefsgewijs boven de systeemplafondplaten heeft gekeken.

 

Dat heeft het bureau ook gedaan in de ruimtes waar later de betreffende stortstroken zijn aangetroffen,

maar op de plaatsen waar de plafondplaten zijn opgetild, heeft het bureau geen asbestverdachte stortstroken aangetroffen.

In haar vonnis van 26 februari 2014 oordeelt de Rechtbank kort gezegd (zie hier voor het volledige vonnis) dat, tegenover de gemotiveerde betwisting door het asbestinventarisatiebureau, de koper onvoldoende heeft gesteld om te kunnen

komen tot het oordeel dat het bureau is tekortgeschoten door niet de zorg te betrachten die gegeven de

omstandigheden van een deskundig en redelijk handelend bureau mag worden verwacht.

 

Gerechtshof Amsterdam 22 september 2015

De koper gaat in hoger beroep en voert aan dat het asbestinventarisatiebureau bedacht had moeten zijn op asbesthoudende stortstroken langs de gevels en rondom de kolommen en bouwkundige scheidingen.

De koper beroept zich daarbij op een rapport van Search die aan de hand van haar ter beschikking gestelde foto’s

heeft vastgesteld dat de asbesthoudende stortstroken direct achter (losse) systeemplafonds duidelijk waarneembaar

waren en tijdens de inventarisatie hadden moeten worden waargenomen.

Voorts stelt de koper (in navolging van Search) dat het slechts steekproefsgewijs openen van systeemplafondplaten

niet conform de SC-540 is en dat het asbestinventarisatiebureau daarmee niet had mogen volstaan, althans daarvan

expliciet melding had moeten maken in haar rapport.

 

Het Hof stelt voorop dat het Type A-onderzoek de lichtste variant van asbestinventarisatie is.

Voorts is in het rapport onder het hoofdstuk ‘Beperkingen’ opgenomen dat de aanwezigheid van asbesthoudende

materialen die niet direct zichtbaar of niet toegankelijk zijn, op basis van het onderzoek niet wordt uitgesloten.

Daarnaast hecht het Hof waarde aan het feit dat het totale oppervlak van het bedrijfspand 23.000 m2 bedroeg en dat de vier verdiepingen waar nadien in totaal 30 m2 aan asbesthoudende stortstroken is aangetroffen, elk een oppervlak van 2.800 m2

besloegen.In combinatie met het feit dat uit het deskresearch geen verdenkingen waren gerezen, dat het bureau tijdens de visuele inspectie steekproefsgewijs boven de systeemplafondplaten heeft gekeken en dat het bureau ook specifiek langs de gevels

en rondom de kolommen en bouwkundige scheidingen heeft gekeken, maakt dat volgens het Hof dat het

asbestinventarisatiebureau niet kan worden verweten dat zij de in totaal 30 m2 asbesthoudende stortstroken

niet heeft waargenomen. De vordering van de koper slaagt derhalve ook in hoger beroep niet; het bureau heeft voldaan aan haar inspanningsverplichting.

 

Specifieke overwegingen Hof over de SC-540

In het onderstaande ga ik nader in op enkele specifieke overwegingen van het Hof, omdat die voor de praktijk relevant zijn;

de SC-540 is vaker voer voor discussie. Dat is overigens in mijn ogen niet verwonderlijk.

De SC-540 is geschreven als kader voor de beoordeling van een certificeringsaanvraag, voortvloeiend uit de arbeidsomstandighedenwetgeving die gericht is op het voorkomen van het risico van asbestblootstelling,

maar wordt desalniettemin (waarschijnlijk bij gebreke van een alternatief) gebruikt als norm waaraan kan worden

getoetst of het bureau heeft gehandeld zoals een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot in de gegeven

omstandigheden zou hebben gedaan.

 

Waarneembare asbestbronnen

Het Type A-onderzoek is gericht op het inventariseren van asbestbronnen die direct (of na licht destructief onderzoek)

waarneembaar zijn. Betekent dat dan dat iedere ‘vrij toegankelijke’ asbestbron ook daadwerkelijk waargenomen dient te worden?

Het Hof lijkt te oordelen van niet: aan het slot van r.o. 3.5.4 merkt hij op dat, hoewel Search heeft gerapporteerd dat op

de aan haar verstrekte foto’s asbesthoudende stortstroken waarneembaar zijn, zulks de mogelijkheid openlaat dat deze

voor het asbestinventarisatiebureau niet waarneembaar waren op de plaatsen waar zij steekproefsgewijs de aanwezigheid van asbesthoudende stortstroken controleerde.

 

Overigens ging de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg nog een stapje verder, zie r.o. 4.7: de Rechtbank overweegt

dat het bureau gemotiveerd heeft gesteld dat de betreffende stortstroken niet eenvoudig zijn te herkennen, zodat zelfs

indien zou komen vast te staan dat het bureau die stroken bij de steekproefsgewijze inspectie over het hoofd heeft gezien,

zonder nadere toelichting nog niet is gezegd dat het bureau daardoor onvoldoende zorgvuldig is geweest.

Gegeven dat op grond van de SC-540 alleen asbestverdachte materialen bemonsterd dienen te worden, is dat een op zichzelf begrijpelijke overweging; zou het bureau de stortstroken wel hebben moeten zien, dan is dat alleen relevant als het bureau deze vervolgens ook had moeten bemonsteren.

Deze overweging komt in het arrest van het Hof evenwel niet terug.

 

Steekproefsgewijs inspecteren toegestaan?

In r.o. 3.5.4 oordeelt het Hof dat Search weliswaar heeft gesteld dat het steekproefsgewijs openen van plafondplaten

niet conform de SC-540 is, maar dat die stelling bij gebrek aan nadere onderbouwing moet worden gepasseerd omdat

niet is toegelicht waar dat in de SC-540 is vermeld of waarom daaruit zou volgen dat een Type A-onderzoek in een geval als het onderhavige vereist dat systeemplafonds integraal dienen te worden geopend. Dat had volgens het Hof op de weg van de koper gelegen, nu niet zonder meer voor de hand ligt dat een dergelijk vergaande eis wordt gesteld.

De Rechtbank Amsterdam heeft in eerste aanleg (zie r.o. 4.8) daarnaast expliciet aangeknoopt bij het honorarium van EUR 3.640,–

dat het asbestinventarisatiebureau voor het onderzoek ontving. Volgens de Rechtbank had de koper gelet op dat

beperkte honorarium moeten begrijpen dat in redelijkheid niet van het bureau kon worden gevergd dat zij boven

alle plafondplaten zou kijken; een redelijke uitleg van de opdracht brengt mee dat het bureau met steekproefsgewijs

onderzoek mocht volstaan.

 

Aansprakelijkheid als niet voldaan is aan SC-540?

Van belang is verder dat het Hof overweegt dat zelfs als zou komen vast te staan dat het asbestinventarisatiebureau

niet geheel aan de SC-540 zou hebben voldaan, dat op zichzelf niet uitsluit dat haar onderzoek voldoet aan de daaraan

te stellen eisen. Volgens het Hof moet ook de koper die mening zijn toegedaan, aangezien hij had aangevoerd dat het

bureau in zijn rapport had kunnen vermelden dat achter de systeemplafonds slechts steekproefsgewijs onderzoek is verricht.

 

Slotopmerkingen

Ik veroorloof mij los van de besproken casus enkele algemene slotopmerkingen.

Honorariumbeperking en sowiesokosten

Asbestinventarisatiebureaus bedienen zich veelal van in de bouw gebruikelijke algemene voorwaarden zoals de DNR.

Als de toepasselijkheid daarvan komt vast te staan, kunnen zij zich in beginsel beroepen op de beperking van

aansprakelijkheid tot het honorarium dat zij voor de betreffende asbestinventarisatie hebben ontvangen.

In de praktijk blijft dat vaak onder de EUR 10.000,–.

Weliswaar is dan de standaardreactie van de benadeelde dat het beroep van het bureau op de exoneratie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Gelet op het feit dat sprake is van een inspanningsverbintenis en het vrijwel nooit zal voorkomen dat een inventariseerder een asbestbron opzettelijk of grof onzorgvuldig heeft gemist, is de kans dat de exoneratie standhoudt, echter groot te noemen.

 

Voorts wijs ik erop dat de extra saneringskosten voor de opdrachtgever (of andere direct bij de asbestinventarisatie betrokkenen)

geen schade opleveren; het betreffen kosten die hij sowieso had moeten maken, ook als het asbestinventarisatiebureau

de betreffende asbestbron wel tijdig had opgemerkt.

Dat geldt echter niet voor de contaminatieschade: als de gemiste asbest wel tijdig zou zijn gesignaleerd, zou er een

sanering hebben plaatsgevonden voordat de asbestdeeltjes door de ruimtes zouden zijn verspreid.

Die schade kan overigens aardig in de papieren lopen (maar ook dan kan een exoneratie ertoe leiden dat

slechts het honorarium op het asbestinventarisatiebureau kan worden verhaald).

 

Ingrediënten voor een geslaagde inventarisatie

In de praktijk blijkt dat het ondoenlijk is om een object integraal op de aanwezigheid van asbestbronnen te onderzoeken

tegen een acceptabel honorarium. De vraag is bovendien of dat wel noodzakelijk en wenselijk is. Het systeem van

onderzoek biedt voldoende waarborgen om zo veel mogelijk duidelijkheid vooraf te krijgen over aanwezige asbestbronnen.

De ingrediënten voor een geslaagde inventarisatie zijn:

  1. Uitgebreide informatievoorziening door de opdrachtgever: niet alleen het ter beschikking stellen van de bouwtekeningen, maar ook van feitelijke informatie door bijvoorbeeld de medewerker van de technische dienst die het gebouw vaak op zijn duimpje kent en veel weet (of te weten kan komen) over verbouwingen et cetera;
  2. Een gedegen deskresearch: interviews met betrokkenen en het bestuderen van bouwtekeningen die vaak informatie over toegepaste asbesthoudende materialen bevatten. Overigens dient het bureau bedacht te zijn op tussentijdse aanpassingen en renovaties van het betreffende object;
  3. Een visuele inspectie na het deskresearch door de Deskundig Inventariseerder Asbest die over de juiste opleiding, kennis en ervaring beschikt;
  4. Een helder rapport met uitleg over wat er is onderzocht en welke asbestbronnen er zijn aangetroffen;
  5. Verwachtingenmanagement aan de zijde van de opdrachtgever: door de opzet van het onderzoek kan het nu eenmaal voorkomen dat een asbestbron wordt gemist.

Dat laatste is in mijn ogen essentieel en het ontbreken daarvan vaak de oorzaak van een gerechtelijke procedure:

de opdrachtgever had verwacht dat hij na de inventarisatie niet meer met onvoorzien asbest zou worden geconfronteerd,

maar wordt in plaats daarvan geconfronteerd met extra kosten die hij niet vooraf had ingecalculeerd.

Als hem vooraf goed wordt uitgelegd waaruit een asbestinventarisatie bestaat en wat hij voor de opdrachtsom kan verwachten,

kan hij ofwel de opdrachtsom verhogen, ofwel bewust het risico aanvaarden dat er onvoorzien asbest zal worden aangetroffen.

Tegelijkertijd is het natuurlijk ook zo dat de schade (c.q. sowiesokosten) voor de opdrachtgever vaak snel in de papieren loopt

omdat asbestsanering nu eenmaal kostbaar is. Ondanks een goed verwachtingenmanagement en ondanks een gebruikelijke

exoneratie tot het veelal beperkte honorarium van het asbestinventarisatiebureaus zullen procedures wel nooit helemaal uit

te sluiten zijn.

 

Nieuwe SC-540 in de maak

Tot slot merk ik op dat hard wordt gewerkt aan een nieuwe SC-540, maar dat nog niet bekend is wanneer die precies in

werking zal treden.

 

Aansprakelijkheid van de ‘feitelijk bestuurder’

 

Een werknemer wordt als ‘feitelijk beleidsbepaler’ aangemerkt.

Hij wordt derhalve aangesproken voor het tekort in een faillissement, omdat hij zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld.

Hierbij stelt de rechtbank dat het vereiste dat de ‘formeel bestuurder’ geheel terzijde moet zijn geschoven, niet geldt.

Van belang is dat de ‘feitelijk bestuurder’ (i) een belangrijke mate van zeggenschap had en (ii) het beleid (mede) heeft bepaald.

 

Lees het vonnis: Rechtbank Noord-Holland d.d. 25-03-2015

 

 

Onze toelichting

 

De volgende situatie doet zich vaker voor: een derde, die geen bestuurder is, bemoeit zich met de vennootschap.

Hierbij kan men denken aan een (actieve) aandeelhouder of werknemer. Het gevaar hierbij?

De kwalificatie ‘feitelijk beleidsbepaler’. In bovengenoemde uitspraak kwam dit aan de orde.

 

 

Eén bestuurder bevoegd

De feiten in deze casus zijn als volgt. Uit het handelsregister bleek dat de heer B. enig statutair bestuurder van de

vennootschap was. Dit betekent dat enkel de heer B. bevoegd is de vennootschap te vertegenwoordigen.

Naast de heer B. waren nog vier werknemers bij de vennootschap werkzaam.

 

Eentje hakt de knopen door

De omgangsnormen tussen de bestuurder en werknemers bleek nogal vrijblijvend. Iedereen had zijn eigen taken en nam zelf beslissingen – zonder controle of goedkeuring van de formeel bestuurder, bestuurder de heer B. Een van de vier werknemers,

de heer D, bleek vaak uiteindelijk ‘de knopen door te hakken’.

 

Derde persoon als leidinggevende gezien

Nadat het faillissement is de procedure die kan worden geopend op verzoek van een schuldenaar of van diens schuldeisers,

waarbij een algeheel beslag ligt op het vermogen van de schuldenaar.
Toen het faillissement
 van de vennootschap door de rechtbank was uitgesproken bleek de heer D.

het meest te weten over de vennootschap. Hij voerde in ieder geval telkens het woord, ook bij de curator.

Een door de rechtbank aangewezen persoon die is belast met het beheer en de beschikking over het vermogen van een

gefailleerde. Daarnaast bleek gedurende de gesprekken met de curator (meer over curatorschap: ) dat de heer D.

ook nog belangrijke (financiële) documentatie in bezit te hebben die hij, zelfs na herhaaldelijk verzoek, niet wilde afgeven.

Tenslotte bleek ook uit gesprekken met onder meer het UWV, Belastingdienst dat zij de heer D. als

leidinggevende van de vennootschap zagen. Alle communicatie verliep in ieder geval via de heer D., zo bleek.

 

Werknemer gezien als feitelijk beleidsbepaler

Uiteindelijk kwam de curator tot de conclusie dat de heer D. niet zo maar een werknemer was, maar als ‘feitelijk beleidsbepaler’

kon worden aangemerkt. Het feit dat iemand kan worden aangeduid als ‘feitelijk beleidsbepaler’ houdt in dat hij net zoals formele statutaire bestuurders aansprakelijk kan worden gehouden. De vraag wanneer er hiervan sprake is, moet worden gekeken van

geval per geval. Er is echter wel een trend zichtbaar bij deze toets en wordt bevestigd in deze uitspraak.

 

Feitelijk bestuurder had taak onbehoorlijk vervuld

De curator sprak uiteindelijk de feitelijk beleidsbepaler aan voor het tekort in het faillissement, omdat de heer D. als ‘feitelijk bestuurder’ zijn taak kennelijk onbehoorlijk had vervuld. De rechtbank ging hier in mee en oordeelde dat de heer D.

inderdaad als feitelijk beleidsbepaler kon worden aangemerkt.

 

Terzijde schuiven bestuurder niet noodzakelijk

Daarnaast oordeelde de rechtbank opmerkelijk genoeg dat het vereiste dat de formeel bestuurder geheel terzijde moet

zijn geschoven niet (meer) geldt. Van belang is, aldus de rechtbank, dat de heer D. (i) een belangrijke mate van

zeggenschap had en (ii) het beleid (mede) heeft bepaald. Daarbij benadrukt de rechtbank ook nog expliciet dat het

niet noodzakelijk is dat de formeel bestuurder volledig terzijde moet zijn geschoven. Dit in tegenstelling tot hetgeen

eerst werd aangenomen. Wel blijkt uit deze uitspraak dat van enige terzijde stelling wel sprake moet zijn.

 

Desastreuze gevolgen door opgelopen tekort

Op basis van bovenstaande werd de heer D. als feitelijk beleidsbepaler door de rechtbank veroordeeld om aan de

curator de schulden inclusief alle kosten van het faillissement te vergoeden. Dit tekort is vaak flink opgelopen,

wat desastreuze gevolgen voor de persoon met zich brengt.

 

Wie wordt aangemerkt als feitelijk beleidsbepaler?

Dit vonnis past in de tendens die al eerder zichtbaar was: het volledig terzijde stellen van de formeel bestuurder is niet meer nodig. Dit betekent dat sneller kan worden aangenomen dat iemand, een aandeelhouder of werknemer, als feitelijk beleidsbepaler

kan worden aangemerkt – met alle gevolgen van dien.

 

 

Vragen of advies nodig?

 

Heeft u vragen over deze situatie of over soortgelijke situaties,

neem dan gerust contact ons op.

Startende ondernemer? Kom juridisch beslagen ten ijs!

 

 

Belangrijke juridische zaken

 

Als startende ondernemer zijn er veel onderwerpen die je aandacht opeisen: vormgeving (en bijstellen) van je ondernemersplan, voldoen aan opleidings- en kwalificatievereisten, een bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering (BAV), kiezen van een bedrijfsnaam, lanceren van een website, uurtarief…etc. Allemaal vitale onderdelen van je onderneming.

Voor het (goed kunnen) doen van zaken met je wederpartij, zorgen voor de continuïteit van je bedrijf en bescherming

daarvan is het daarom uiterst belangrijk dat je deze met juridische waarborgen omkleed. Je komt dan goed beslag ten ijs, zeker als het gaat om het opstellen van algemene voorwaarden, contracten en je wapenen tegen wanbetalers.

 

Algemene voorwaarden, wanbetalers en contracten

 

Denk alleen al aan het opstellen van algemene voorwaarden en inkoop- of samenwerkingscontracten.

Op deze pagina’s vertellen we welke juridische kwesties gangbaar zijn en hoe jij je als startende ondernemer hiertegen kunt beschermen. Er zijn vele juridische kwesties waar je mee te maken krijgt, als starter en in de fase daarna.

Omwille van de eenvoud kunnen we hier niet alle mogelijke juridische hete hangijzers bespreken.

Vandaar dat we er een paar uitlichten waar je als starter (of je wilt of niet) mee te maken zult krijgen.

Dit in de vorm van een 3-luik:

 

1. Stel goede algemene voorwaarden op / week 1

2​. Weet hoe jij je kunt wapenen tegen wanbetalers /week 2

3. Opstellen van juridische contracten / week 3

 

 

 

Algemene voorwaarden, wat heb ik daaraan?

 

Algemene voorwaarden zijn er om de verwachtingen te managen. Hierin leg je alle wederzijdse rechten

en verplichtingen tussen koper en verkoper vast. Denk daarbij onder meer aan de betaaltermijn, garantiebepalingen,

levertijd en wat jij moet doen als er iets misgaat.

 

Om te voorkomen dat je dergelijke zaken bij ieder contract opnieuw moet bespreken,

is het handig om deze zaken vast te leggen in een standaard document: jouw algemene voorwaarden.

 

Belangrijk hierbij is dat je de voorwaarden duidelijk omschrijft; anders kan iedere partij deze punten op een andere manier interpreteren. In de praktijk zorgt dat nog wel eens voor ellende.

Concrete algemene voorwaarden voorkomen discussies en juridisch getouwtrek – iedereen weet vanaf het begin waaraan hij toe is – en ze maken het zakendoen daardoor een stuk duidelijker. Niet alleen voor nu, maar ook geeft dit houvast voor de toekomst.

 

 

Hoe gebruik ik mijn algemene voorwaarden?

 

In de praktijk gebruiken veel ondernemers hun algemene voorwaarden niet op de juiste manier,

waardoor alsnog conflicten met klanten of leveranciers kunnen ontstaan.

Daarom geven wij jou hieronder 4 tips op het gebied van algemene voorwaarden:

 

1. Gebruikmaken van zelfgemaakte voorwaarden

 

Het komt vaak voor dat startende ondernemers voorwaarden van hun collega’s kopiëren.

Niet alleen maak je dan schuldig aan inbreuk op diens intellectuele eigendomsrecht (auteursrecht);

ingeval je deze op je website gaat plaatsen, zal google dergelijke inbreuken constateren en jouw daardoor

‘strafpunten’ geven in de ranking en indexering van je site.

Naast het feit dat er een civielrechtelijke procedure tegen je aangespannen kan worden door de

rechthebbende is het google-technisch op zijn zachts gezegd: niet wijs.

 

Er is niets mis mee algemene voorwaarden van je concullega ’s te bekijken en voor jezelf daaruit

een sjabloon te halen als blauwdruk voor je eigen voorwaarden.

Maar maak ze zelf en laat deze bij voorkeur checken door een juridisch adviesbureau.

Je weet dan zeker dat je geen regels overtreedt.

 

2. Deel jouw voorwaarden op tijd met de klant

 

Jouw klant hoort de algemene voorwaarden te ontvangen vóór jullie een deal sluiten. Overhandig deze voorwaarden het liefst persoonlijk. Op die manier kan er geen misverstand bestaan over de ontvangst. Verstuur je jouw offerte digitaal?

Stuur dan de algemene voorwaarden dan direct mee en vraag de klant (link) om een bevestiging.

Kun je de algemene voorwaarden niet overhandigen? Meld dan aan de klant dat jouw algemene voorwaarden op

de samenwerking (en evt. overeenkomst(en)) van toepassing zijn en waar deze voorwaarden ter inzage liggen

(en dat je op verzoek deze documenten kosteloos met hem/haar kunt delen).

Je kunt je voorwaarden ook bij de Kamer van Koophandel deponeren.

 

Je moet je altijd realiseren dat de voorwaarden waar je gebruik van maakt, dat deze een belangrijk onderdeel zijn van je totale dienstverlening. Onder die voorwaarden verleen bij voorbeeld je diensten of (ver)koop je producten.

Het is daarom van belang dat in elk contract wat je gebruikt, dat je daarin verwijst naar de algemene voorwaarden,

zodat deze integraal onderdeel uitmaken van je contract.

Wees te allen tijden: alert, duidelijk en op tijd als het gaat om verstrekking van je voorwaarden aan je (potentiële) klant.

Ben je niet op tijd en duidelijk in verstrekking van je voorwaarden naar je klant, dan maken ze in beginsel

géén onderdeel uit van je contract. De klant in kwestie kan deze dan buiten toepassing laten.

 

3. Vermeld de voorwaarden in jouw offerte

 

In de offerte hoort duidelijk te staan dat jouw algemene voorwaarden van toepassing zijn op de samenwerking, bestelling of het onderliggende (mogelijke) contract. Doe je dat niet? Dan kan een zogenoemde ‘battle of forms’ ontstaan:

beide partijen claimen dat hun eigen voorwaarden van toepassing zijn op de deal. Communiceer hierover.

 

4. Blijf redelijk in jouw voorwaarden

 

De wet gaat altijd vóór de algemene voorwaarden. Jouw aansprakelijkheid is vastgelegd in het Burgerlijk Wetboek, Boek 6.

Daarin staat onder meer een zwarte lijst van verboden uitsluitingen (artikel 6:236 BW).

Je kunt je aansprakelijkheid daarom ook nooit geheel uitsluiten in je voorwaarden.

Letselschade mag je bijvoorbeeld niet uitsluiten. Doe je dat toch in jouw voorwaarden, dan geldt die bepaling juridisch gezien simpelweg niet. Ze zijn juridisch gezien nietig en hebben om die reden nooit bestaan.

 

Er bestaat ook een grijze lijst van uitsluitingen: artikel 6:237 BW.

Deze punten mag je wel gebruiken, op voorwaarde dat je kunt aantonen dat ze niet onredelijk zijn.

Deze lijst is in feite vernietigbaar. Ze zijn geldig, tenzij de wederpartij de nietigheid ervan inroept.

Naast deze wettelijke uitganspunten, ben je vrij in de samenstelling van je voorwaarden.

Het is in algemene zin wel raadzaam te kijken wat er in je branche gebruikelijk is om op te nemen.

Als je bijvoorbeeld een uurtarief hanteert wat brancheoverstijgend is en derhalve niet gebruikelijk,

dan zul je je concurrent eerder in de kaart spelen bij je doelgroep dan hem te slim af te zijn.

 

 

Hoe kom ik aan goede algemene voorwaarden?

 

Naast de optie ze zelf te maken (dat hangt af van de uniekheid van je product), kun je jouw evt. branchevereniging benaderen.

Zij hebben deze standaardvoorwaarden al juridisch getoetst en gedeponeerd. Je kunt deze voorwaarden dus veilig gebruiken.

Maar let op: zo’n branchespecifiek model van standaardvoorwaarden blijft natuurlijk wel generiek en is (nog)

niet volledig toegespitst op jouw bedrijf. Laat ze tenminste checken door een ter zake kundig iemand.

 

 

Volgende week op onze site:

 

Deel 2: wat kun je doen bij wanbetaling?

 

 

Juridisch advies nodig?

 

Je kunt je laten informeren en adviseren in het laten checken, opmaken en toetsen van je voorwaarden.

Wij verstrekken naast persoonlijke juridische adviezen, juridische diensten op maat, zoals het opmaken van voorwaarden.

Zoek je persoonlijk en deskundig advies met de opmaak van diensten op maat?

Kies dan voor de juridische diensten van BERGA: www.bergajuridisch.nl

Vragen? info@bergajuridisch.nl

Klimaatuitspraak inzake actiegroep Urgenda

 

In juni gaf de rechter in zijn klimaatuitspraak de klimaatactiegroep Urgenda gelijk: het kabinet moet zich houden aan

de internationale klimaatdoelstellingen die het zelf onderschrijft. Een uitstootreductie van 25 tot 40 procent is daarom vereist.

Het kabinet gaat dat niet redden met het huidige beleid en moet dus meer doen, stelde de rechter.

Dat de rechter met deze klimaatuitspraak  ingrijpt in het politieke spectrum, is redelijk uniek te noemen.
Zo zijn er vele internationale afspraken die het kabinet om politieke afwegingen niet geheel nakomt.

Zo is in NAVO-verband afgesproken om 2% van het binnenlands product te spenderen aan defensie,

iets wat Nederland nalaat en waar de rechter zich ook niet mee bemoeit.

 

Meer informatie over de uitspraak zélf vindt u hier.

 

 

De stelling luidde:

 

“Met deze uitspraak gaat de rechter op de stoel van de politiek zitten.
Dit kan een ongewenst precedent scheppen.”

 

 

Onze reactie:

Deze uitspraak schept een juridisch ongewenst precedent. Los van de vraag of er inhoudelijk wat voor te zeggen valt,

hebben we in Nederland te maken met het stelsel van gescheiden machten: de Trias Politica.

De uitvoerende en wetgevende macht, de politiek, behoort zich niet met de rechterlijke macht

(rechters en uitspraken) te bemoeien. Hoewel de verdeling niet absoluut is te noemen ( maar relatief: checks and balances)

is er gevaar voor uitholling van deze staatsrechtelijke scheidslijnen als eenmaal dit pad bewandeld gaat worden.

Waarom gevaar? Omdat je uiteindelijk dan beleid wat gemaakt is door beleidsmakers door de beleidsmakers zelf

laat keuren i.p.v. door de rechter of omgekeerd. Op het spel staat dan: gezag, gevaar voor willekeur, partijdigheid en alles

wat verder onoorbaar is. Meteen in de kiem smoren dus, althans dat is onze opvatting.

Contact


BERGA juridische diensten

voor

particulieren & ondernemers

diensten

persoonlijke diensten

telefonische diensten

online diensten

juridische terreinen

civiele recht

bestuursrecht

strafrecht

bereikbaarheid

contactformulier (bericht/maken afspraak)

bestelformulier (telefon./online diensten)

info@bergajuridisch.nl

06-36331675 (van 9.00 tot 17.00 uur)



ContactformulierBestelformulier